Geen octrooieerbaarheid voor planten die verkregen zijn uit hoofdzakelijk biologische processen

Het EPO sluit planten en plantenvariëteiten voortgebracht via hoofdzakelijk biologische processen uit van het principe van octrooieerbaarheid (kruising, hybridisatie, selectie).

Enkele maanden geleden heeft Sirris voor een Brusselse denktank een presentatie gehouden over de veranderingen in de intellectuele eigendom en de grote uitdagingen ervan: in welke mate zijn de bestaande intellectuele-eigendomsstelsels in staat om in te spelen op de nieuwe paradigma’s van innovatie en creativiteit?

Te midden van de vele kwesties die gaan over intellectuele eigendom is de octrooieerbaarheid van levend materiaal een belangrijk vraagstuk met gevolgen op zowel juridisch, economisch als maatschappelijk vlak.

De biotechnologie heeft een steeds belangrijkere impact op de economie. De monopolies in dit domein verleend door de intellectuele eigendomsrechten kunnen een gevaar betekenen: in welke mate kan men private ondernemingen of onderzoeksinstellingen aanspraak laten maken op de exclusieve exploitatierechten van flora, fauna en zelfs de mens zelf?
Dit werpt moeilijke vragen op, zelfs wanneer men het polemische aspect ervan moet relativeren: Het gaat niet om de toe-eigening van levend materiaal, maar om de bescherming van een technische vooruitgang en ook om het voor de titularis mogelijk te maken om derden het commercieel gebruik van zijn/haar uitvinding te verbieden.

Voor de introductie in Europa van het kwekersrecht konden patenten toegekend worden voor planten. Met de herziening van het Europees Octrooiverdrag (EOV) in 1973 werd deze mogelijkheid uitgesloten. Maar de ontwikkeling van de biotechnologieën zorgde voor nieuwe perspectieven, en belangrijke inzetten. Er kwamen vragen over de octrooieerbaarheid van productieprocessen die hoofdzakelijk uit kruising en selectie bestonden, vervolgens over de via deze werkwijzen verkregen producten. 

In Europa zijn de beperkingen van de octrooieerbaarheid van biologisch materiaal vastgelegd in de Richtlijn 98/44/CE evenals door het Europees Octrooiverdrag (EOV). Beide bepalen dat de werkwijzen van wezenlijk biologisch aard voor het kweken van planten of het voortbrengen van dieren, d.w.z. die geheel bestaan uit (of die uitsluitend een beroep doen op) natuurlijke verschijnselen zoals kruising of selectie, niet octrooieerbaar zijn.
Toch heeft het EPO octrooien toegekend voor niet genetisch gemodificeerde groenten. Seminis Vegetable Seeds bijvoorbeeld, een door Bayer overgenomen onderneming van de Monsanto groep, heeft een octrooi toegekend gekregen (EP1597965) voor een makkelijk te oogsten broccoli die men teelt door middel van conventionele selectie. Het octrooi dekt de planten, zaden en zelfs de kop van de afgesneden broccoli en een veelheid van jonge broccoliplantjes die geteeld worden op een veld.
Vandaar de vele, elkaar opvolgende discussies in heel Europa.

Het heeft geen zin om hier de historiek te geven van de genomen beslissingen van de betrokken partijen en die van de besluiteloze houding in de praktijk van de betrokken overheden, van de gewijzigde en later toegepaste regels, van de uitgestelde procedures, enz.

In december 2010, bijvoorbeeld, heeft de Grote Kamer van Beroep in de arresten 'Tomaat' en 'Broccoli' octrooiaanvragen verworpen voor werkwijzen van wezenlijk biologische aard waarbij men gebruik maakte van genetische merkers voor de selectie. In maart 2015 heeft de Grote Kamer in de zaken 'Tomaat II' en 'Broccoli II' (G2/12 en G2/13) geconcludeerd dat een octrooi toegekend kon worden voor via dergelijke werkwijzen verkregen planten/plantaardig materiaal (niet voor de werkwijzen zelf), indien aan de basisvoorwaarden van octrooieerbaarheid was voldaan.

In 2019, rekening houdend met de posities van de Contracterende Staten, waarvan de meerderheid het niet eens was met deze conclusies, de bezorgdheden van de gebruikersgemeenschap en de soms heftige reacties van de burgermaatschappij, wendde het EPO zich tot de Grote Kamer van Beroep met de vraag om het rechtskader toe te lichten dat van toepassing is op de octrooieerbaarheid van planten die uitsluitend verkregen zijn door werkwijzen van wezenlijk biologische aard.

Niets is in steen gebeiteld: Op 14.05.20, heeft de Grote Kamer geconcludeerd, in haar advies G3/19 ('Peper'), dat door werkwijzen van wezenlijk biologische aard voortgebrachte planten en dieren niet octrooieerbaar waren, het omgekeerde van haar eerdere rechtspraak.

Het EPO zal zich richten naar dit advies en het toepassen, wat de juridische onzekerheid zou moeten verkleinen die tot hier toe heerste rond de complexe en gevoelige kwestie van de octrooieerbaarheid van planten uitsluitend verkregen door middel van een werkwijze van wezenlijk biologische aard.

We wijzen er nogmaals op dat de bescherming van plantenvariëteiten traditioneel gebeurt via het kwekersrecht. Hierdoor kan men het werk van de verkrijger ervan vergoeden terwijl de hulpbronnen voor de andere spelers toegankelijk blijven voor onderzoeksdoeleinden teneinde de plantensoort te verbeteren op genetisch vlak en nieuwe variëteiten te creëren.

Bron

Zie ook

Auteur: F. Monfort-Windels – Verdere informatie: B. Olbrechts