Groeiende belangstelling voor carbonitreren van lagers

Door enkele nadelen werd carbonitreren in het verleden minder toegepast dan carboneren, maar nu blijkt de sector van de kogellagers de techniek (her)ontdekt te hebben om de levensduur van kogellagers te verhogen.

Het oppervlakkig harden van stalen onderdelen kan met verschillende technieken gebeuren. De meest gebruikte techniek is carboneren via opkolen. Een variant van deze techniek is het carbonitreren, waarbij naast koolstof ook stikstof in het staal gebracht wordt. Vanwege een aantal nadelen verbonden aan de techniek werd deze in het verleden minder toegepast dan carboneren, doch nu blijkt de sector van de kogellagers de techniek terug ontdekt te hebben als methode om de levensduur van kogellagers te verhogen.

Carbonitreren versus carboneren

Bij het klassieke carboneren wordt enkel koolstof via een actief gas (methaan, acethyleen) in het staal gediffundeerd bij hoge temperatuur. Wanneer tijdens of op het einde van de cyclus, die meerdere uren duurt, ook ammoniak toegevoegd wordt, zal dit gas ontbinden en stikstof vrijgeven dat samen met koolstof in het staal zal diffunderen. Het element stikstof is een austenietstabiliserend element, waardoor de overgangstemperatuur tussen de ferriet- en de austenietfase verlaagd wordt. Dit betekent dat men bij een lagere temperatuur kan werken dan bij het klassieke opkolen, wat een economisch voordeel betekent. Een nadeel is dat meer restausteniet gevormd wordt na afschrikken, naast ook soms onderhuidse, fijne poriën als gevolg van een gasophoping in de harde randlaag (‘Kjehldahl-porositeit’).

Lees meer op Techniline.

Het beproevingslaboratorium van Sirris kan lagers materiaalkundig karakteriseren en analyseren, en indien gewenst ook slijtagetesten uitvoeren.  Interesse? Neem zeker contact op met onze experts!